bezinning, bezieling, beweging

Op mijn levenslange reizen

Op mijn levenslange reizen – twijfel donker achtervolgt mij, liefde blind holt voor mij uit — zing ik op steeds andere wijzen over wie ik niet kan spreken, zing ik: ‘Ooit mijn hart te breken, ooit mijn hart voor jou te breken’.

Opgereisd, pas halverwege, met een keel kapot gezongen, met een hart voor wie gebroken, kruip ik onder dorenstruiken, druk mijn ogen in de aarde, smeek dat nu het eind zal komen, smeek de dood, dat hij zal komen.

Spoorloos trok voorbij de twijfel waar ik lag. De liefde keerde, zag mij, bracht mij drank en spijze, deed mij opstaan uit de dood. Nog een leven zal ik reizen, nog een leven zal ik reizen. Nooit meer zonder reisgenoot.

(1 Koningen 19, vers 4-8.)

Alleen al de eerste regel van dit lied van Huub Oosterhuis roept het beeld op van de mens zoals dat in veel poëzie en wereldliteratuur geschilderd wordt, namelijk dat wij ‘levenslang’ reizen, de mens dus als reiziger, altijd onderweg. Mensen zijn onderweg en dragen hun verleden met zich mee dat soms zo beklemmend kan zijn dat zij er zich van los willen maken, zoals beschreven wordt in het sonnet de Troubadour van Martinus Nijhoff:

Die ’s nachts romancen floot onder de linden en ’s middags scherzo’s op de markt der dorpen, hij heeft zijn fluit in een fontein geworpen en wilde een moeilijker wijsheid vinden.

Hij heeft des nachts op een rivier gevaren, hij zag het zonlicht dat de straten kleurde en wist dat hij niet leefde, maar gebeurde, dat daden machteloos als seizoenen waren.

Hij was een reiziger, de dag lang dromend, zijn doel was naar een horizon gericht, hij voelde het leven uit zijn hart wegstromend –

en zijn gelaat was bleek, en blink van licht, als van de man die, uit de bergen komend, God zag van aangezicht tot aangezicht.

Het besef niet werkelijk te leven maar ‘te gebeuren’ doet de troubadour zoeken naar ware levenswijsheid en een andere weg in te slaan, op een andere manier te gaan zoeken. Het leven is een queeste, een zoektocht naar de parel van wijsheid of de graal, de schat die het leven zijn ware zin doet prijsgeven. In die wereldliteratuur is van die reisverhalen de Odyssee van de Griekse schrijver Homerus wellicht de bekendste. Het is dit zoeken dat wij ook verwoord horen in het lied van Oosterhuis als de reiziger zegt dat hij ooit zijn hart zou willen breken. Dat kan niet anders zijn dan een geheel en al geraakt zijn door wat verlangd wordt: ‘zing ik steeds op andere wijzen over wie ik niet kan spreken, zing ik ooit mijn hart voor jou te breken.’ Het is liefde ‘die blind voor hem uit holt’ die hem drijft en onderweg houdt, het grote verlangen naar vervulling van leven en is dat niet wat in ieder mens de drijfveer is van zijn of haar handelen?

De Bijbel

Ook in de Bijbel, dat grote verhalenboek waarin mensen de richting van hun leven onder woorden hebben gebracht, is er sprake van reizen en op weg gaan. Je kunt daarbij aan Abraham denken maar ook aan het volk Israël waarvan hij de stamvader wordt genoemd. Mensen zijn onderweg naar hun bestemming, naar een land dat beloofd is, naar een leven dat ons harmonie en gerechtigheid voor allen beloofd.

Bij die zoekers horen ook de profeten en van hen is Elia wellicht het prototype. Niet voor niets staat hij in het evangelie model voor alle profeten als hij op de berg Thabor samen met Mozes in gesprek is met Jezus. Hij is een man die worstelt met zijn bestemming en levensroeping en in dit prachtige lied Oosterhuis wordt ons een inkijk gegeven in zijn ziel. Wij horen in de tweede strofe dat hij wil ophouden met zijn werk omdat hij diep en diep teleurgesteld is in zijn missie. Hij ondervindt tegenwerking en wordt niet gehoord. Toch komt zijn arbeid voort uit liefde. Uiteindelijk is het de liefde voor het ‘Spreken van God’ – het Woord – zoals dat in de boeken van de Thora tot hem gekomen is. Maar liefde is blind, zeggen we wel eens en dat is ook zo bij deze mens die eigenlijk verteerd wordt door genegenheid voor het geheim.

Hij heeft ook haast want dat woord moet als een lopend vuur bezit nemen van mensen. Vandaar dat er staat dat hij zijn hart wil breken voor de Eeuwige. Dat kan niets anders betekenen dan dat hij heel zijn wezen in dienst stelt van zijn roeping. Liefde gaat voor hem uit en de twijfel achtervolgt hem. Twee gemoedsbewegingen vechten in hem en dan stokt het, hij legt zich erbij neer en verlangt naar het einde.

De nacht

Die ervaring lijkt op de nacht waarvan de mystici spreken, de volkomen verlorenheid en het zich verlaten voelen omdat zijn stem stokt in zijn keel en al zijn bewogenheid om mensen gebroken is. Of, zoals het klinkt in het sonnet van Nijhoff: ‘hij heeft des nachts op een rivier gevaren’. Hier is de rivier de scheidingslijn tussen de oude en de nieuwe wereld waarnaar gezocht wordt.

Er ontwaakt voor Elia in die nacht van vertwijfeling een licht. Hij weet zich opnieuw gezien en bemind en dat is als voedsel voor hem, hergeeft hem zijn kracht en doet hem uit de dood opstaan. Nee, zijn weg is niet ten einde, hij gaat verder maar in een besef van herboren zijn. Niet langer is zijn weg en zijn roeping eenzaam want hij weet dat zijn oude liefde slechts de weerklank was van een grote liefde en bewogenheid die hem omgeeft en draagt. De twijfel die hem eerst achtervolgde is voorbijgegaan zonder een spoor achter te laten en wat zijn diepste zekerheid is geworden is de reisgenoot die hem nooit meer verlaten zal.

 De reisgenoot

De naam van de reisgenoot kun je alleen maar omschrijven als een ervaring van Iemand die er is voor hem. Het is de Naam van de eeuwige die zijn naam waarmaakt, die doet wat hij zegt: ‘Ik zal er zijn zoals ik er zal zijn’. Die naam, dat grote besef van de aanwezigheid van een tegenover, een vriend en reisgenoot, kan ieder van ons ten deel vallen op onze levenslange reizen.


Henk Jongerius o.p., is Dominicaan, auteur en dichter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *